Citaat | Hoge Raad 17 mei 2016
Onder 3.2.1. Hoge Raad 17 mei 2016
Een alinea uit Hoge Raad 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862.
Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/77603da1a01c85a6b3fa72ab870be39a41381280e82a58e56d8f18a55e534a6f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 77603da1a01c85a6b3fa72ab870be39a41381280e82a58e56d8f18a55e534a6f, en de alinea staat in dat document op bytes 41092 tot 42239.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/77603da1a01c85a6b3fa72ab870be39a41381280e82a58e56d8f18a55e534a6f | shasum -a 256