Citaat | Hoge Raad 17 mei 2016
Onder 2.3. Hoge Raad 17 mei 2016
Een alinea uit Hoge Raad 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:864.
Naar 's hofs oordeel kunnen de gedragingen van [betrokkene 1] weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, maar is niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedraging van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf. Uit voormelde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte zich, ondanks het feit dat hij wist dat er gevochten zou gaan worden - [betrokkene 1] had hem daartoe immers uitgedaagd - met anderen en bewapend met een mes heeft begeven naar de afgesproken plek. Daardoor heeft de verdachte de confrontatie en de kans op escalatie bewust opgezocht, terwijl hij er ook voor had kunnen kiezen dit niet te doen. Onder deze omstandigheden komt aan de verdachte geen beroep op noodweer toe. Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0eeacfeeecc5636b31fa09cb6e7ee98b57ce376f7ed41377bea6070210ed356b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0eeacfeeecc5636b31fa09cb6e7ee98b57ce376f7ed41377bea6070210ed356b, en de alinea staat in dat document op bytes 14775 tot 15824.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0eeacfeeecc5636b31fa09cb6e7ee98b57ce376f7ed41377bea6070210ed356b | shasum -a 256