Citaat | Hoge Raad 27 mei 2016
Onder 3.3.1 Hoge Raad 27 mei 2016
Een alinea uit Hoge Raad 27 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:996.
Naar het oordeel van het hof behoorde [eiseres] op grond van de inhoud van de brief te begrijpen dat [verweerster] ervan uitging dat zij het aanbod van [eiseres] om een leaseovereenkomst aan te gaan rechtsgeldig had aanvaard. Zij had, indien zij de totstandkoming van de overeenkomst had willen voorkomen, onverwijld aan [verweerster] moeten meedelen dat zij haar in tijd gelimiteerde aanbod als vervallen beschouwde. Haar stelling dat zij een dergelijke mededeling wél heeft gedaan, namelijk telefonisch na ontvangst van de brief van 21 november 2008, kan niet worden aanvaard, gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen met betrekking tot de aan [eiseres] gegeven bewijsopdracht op dit punt. Evenmin kan de brief van [eiseres] aan [B] d.d. 21 november 2011 als een mededeling in de zin van artikel 6:223 lid 2 BW worden aangemerkt, aangezien die brief niet aan [verweerster] was gericht maar aan [B] en bovendien, gelet op de inhoud, betrekking had op de met [B] gesloten overeenkomst voor informaticaprestaties.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/796b32cedcfc148fc200a4250626b491518afeda38dd15f46941bd195252d66c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 796b32cedcfc148fc200a4250626b491518afeda38dd15f46941bd195252d66c, en de alinea staat in dat document op bytes 20041 tot 21077.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/796b32cedcfc148fc200a4250626b491518afeda38dd15f46941bd195252d66c | shasum -a 256