Citaat | Hoge Raad 27 mei 2016

Onder 3.5.1 Hoge Raad 27 mei 2016

Een alinea uit Hoge Raad 27 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:997.

Indien de officier van justitie na ontvangst van de in art. 25 lid 2 Wet Bopz bedoelde bescheiden van oordeel is dat er grond is voor voortzetting van de inbewaringstelling, doet hij uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van deze bescheiden die niet is een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet, een verzoek aan de rechtbank tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). De datum van ontvangst ter griffie van de rechtbank is bepalend voor het antwoord op de vraag of het verzoekschrift door de officier van justitie tijdig is ingediend. Nu het onderhavige verzoekschrift eerst op maandag 23 november 2015 ter griffie van de rechtbank is binnengekomen (zie hiervoor in 3.1 onder (iii)), terwijl de officier van justitie de in art. 25 lid 2 Wet Bopz bedoelde bescheiden reeds op donderdag 19 november 2015 had ontvangen (zie hiervoor in 3.1 onder (ii)), is het verzoekschrift een dag te laat ingediend. De klacht is derhalve gegrond. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9b785f2ea7efa47772816dc3e5c9a4f543df7707f3ba9cdeaddc138a30ecd36b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9b785f2ea7efa47772816dc3e5c9a4f543df7707f3ba9cdeaddc138a30ecd36b, en de alinea staat in dat document op bytes 10272 tot 11381.