Citaat | Hoge Raad 2 juni 2017

Onder 3.1 Hoge Raad 2 juni 2017

Een alinea uit Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1013.

Het verzoekschrift in de onderhavige zaak is ingediend op 18 januari 2017. Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende [verzoekster] ervoor te zorgen dat het door haar verschuldigde griffierecht binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. Die termijn liep af op 15 februari 2017. Het door [verzoekster] verschuldigde griffierecht was aan het einde van deze termijn niet bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad en evenmin ter griffie gestort. Dat brengt in beginsel mee dat [verzoekster] op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 Rv in verbinding met art. 427b Rv niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar beroep.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6911642f882293b6f4d593fc47be51b59152ded21436d9e8e14be73388f5c177. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6911642f882293b6f4d593fc47be51b59152ded21436d9e8e14be73388f5c177, en de alinea staat in dat document op bytes 7315 tot 8104.