Citaat | Hoge Raad 4 juli 2017

Onder 2.2.1. Hoge Raad 4 juli 2017

Een alinea uit Hoge Raad 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016.

We zijn naar die woning gegaan. [slachtoffer] reed in zijn auto voor ons uit. Wij reden in mijn auto achter hem aan. Ik reed. [verdachte] had mijn BlackBerry. [verdachte] heeft ergens met mijn toestel [betrokkene 2] gepingd. Toen we binnen kwamen, zaten we op de bank. [slachtoffer] zat wat te eten. Hij vroeg of [verdachte] en [betrokkene 4] wat wilden eten. Dat wilden de dames niet. Althans ze wilden niet wat [slachtoffer] had. Ze wilden eten bestellen. [betrokkene 4] was degene die zei dat ze eten wou bestellen. Ze wilde bestellen bij 't Fonteintje maar [slachtoffer] zei dat die al dicht was. [verdachte] zei dat we moesten bestellen bij een Turkse pizzeria op West. [verdachte] belde [betrokkene 2] op. Met [betrokkene 2] had ze een fictief gesprek over een pizzabestelling. De jongens die zouden komen waren al beneden en wisten waar zij moesten zijn. Na een relatief korte tijd werd aangebeld. [slachtoffer] deed boven de deur open en de drie jongens stormden naar binnen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/edda3be676f2198fca61b3f20030ca63949cbe6b58378a4ad7eeb6579d4c943b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt edda3be676f2198fca61b3f20030ca63949cbe6b58378a4ad7eeb6579d4c943b, en de alinea staat in dat document op bytes 12466 tot 13474.