Citaat | Hoge Raad 6 juni 2017

Onder 2.1. Hoge Raad 6 juni 2017

Een alinea uit Hoge Raad 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1018.

Deze stukken zijn gevoegd bij het eerdergenoemde e-mailbericht van 3 september 2012 en de rechtbank heeft daarvan kennis kunnen nemen. Het betreffen declaraties van klaagster, geadresseerd aan [A] B.V., over de periode van 7 november 2011 tot en met 22 mei 2012. Naar de raadkamer het standpunt van de officier van justitie begrijpt, bestaat ten aanzien van deze declaraties jegens [medeklager] de verdenking dat hij deze valselijk heeft doen opmaken door jegens klaagster voor te wenden dat de door haar verrichte werkzaamheden op het conto van [A] B.V. kwamen, terwijl het in werkelijkheid kosten waren die voor rekening van [medeklager] in privé dienden te komen. Aldus beschouwd, is de raadkamer van oordeel dat de declaraties voorwerp uitmaken van het strafbare feit en daarmee geen object zijn van de aan klaagster toekomende bevoegdheid tot verschoning.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/704bbdca713ff97e03725f398c91fa57bb2776325fc9e5f80d7a1ad3a20e598f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 704bbdca713ff97e03725f398c91fa57bb2776325fc9e5f80d7a1ad3a20e598f, en de alinea staat in dat document op bytes 14813 tot 15687.