Citaat | Hoge Raad 4 juli 2017
Onder 2.3.1. Hoge Raad 4 juli 2017
Een alinea uit Hoge Raad 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1221.
Voor oplichting is blijkens art. 326, eerste lid, Sr vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel "beweegt" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr. (Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8e45ed3dc81b9e404e72b85ab5b6d839455938e22591c6c5f0410ebd4aef34c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8e45ed3dc81b9e404e72b85ab5b6d839455938e22591c6c5f0410ebd4aef34c0, en de alinea staat in dat document op bytes 24878 tot 25608.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8e45ed3dc81b9e404e72b85ab5b6d839455938e22591c6c5f0410ebd4aef34c0 | shasum -a 256