Citaat | Hoge Raad 31 januari 2017

Onder 2.2.1. Hoge Raad 31 januari 2017

Een alinea uit Hoge Raad 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:124.

Op 7 december 2013 was ik op een feestje. We hebben gefeest en omstreeks 23.00 uur gingen we naar huis. Op dat moment gingen ook drie jongens weg van het feest. Dat waren [betrokkene 4] , een jongen op een fiets en nog een andere jongen. Wij gingen met zijn drieën, dat wil zeggen ik, [verdachte] en [medeverdachte] , achter deze jongens ook weg van het feest. Op een gegeven moment zag ik dat een jongen uit het groepje van drie die voor ons liepen werd gepakt door [verdachte] . Ik zag namelijk dat [verdachte] deze jongen van achter in een wurggreep om zijn nek beetpakte. Hierdoor ging de jongen naar de grond. Op dat moment zag ik dat [medeverdachte] de andere jongen genaamd [betrokkene 4] ook vloerde. Ik zag namelijk dat [medeverdachte] [betrokkene 4] (het hof vat dit op als een kennelijke verschrijving en begrijpt hier en hierna: [betrokkene 4] ) ook van achteren om zijn nek beet pakte in een wurggreep en naar de grond trok. Ik zag dat [medeverdachte] bij [betrokkene 4] in zijn zakken voelde. Ik hoorde de jongen die op de grond lag zeggen dat hij [verdachte] kende van school. Ik hoorde [verdachte] met een kwade en luidde toon tegen de jongen zeggen: "Geef me je telefoon".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/10a22dd5b3217686534a254d4a6f9349c711d54c38e06ddb233d5b9496b34887. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 10a22dd5b3217686534a254d4a6f9349c711d54c38e06ddb233d5b9496b34887, en de alinea staat in dat document op bytes 16452 tot 17655.