Citaat | Hoge Raad 4 juli 2017
Onder 2.2.1. Hoge Raad 4 juli 2017
Een alinea uit Hoge Raad 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1276.
[medeverdachte] vertelde waar de kluis was. Ze had sleutels gezien op het tafeltje naast het bed. [medeverdachte] zei dat het mannetje sowieso geld had. Ze zei dat hij zeker 60.000 had. Als hij het niet daar had dan kwam iemand het maar brengen. [medeverdachte] kwam toen met het plan om pizza te bestellen en dat de jongens dan als pizzabezorger binnen zouden komen. De jongens wisten al wie naar binnen zouden gaan. Achteraf zou blijken dat [betrokkene 2] niet binnen zou komen. [slachtoffer] kende hem wel uit [A] . [betrokkene 2] stottert heel erg en is ook aan zijn loopje goed te herkennen. Het werden [betrokkene 8] , [betrokkene 5] en [verdachte] .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08715fb6d1502a2813ef2ab03bb3124ee5634d45fa6f9d872c264739961d8b5e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08715fb6d1502a2813ef2ab03bb3124ee5634d45fa6f9d872c264739961d8b5e, en de alinea staat in dat document op bytes 10916 tot 11599.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/08715fb6d1502a2813ef2ab03bb3124ee5634d45fa6f9d872c264739961d8b5e | shasum -a 256