Citaat | Hoge Raad 4 juli 2017
Onder 3.1. Hoge Raad 4 juli 2017
Een alinea uit Hoge Raad 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1277.
Art. 421, vierde lid, Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld (vgl. HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7011, NJ 2003/557). Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke voorziening niet heeft willen weten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5dadffa6b9d1e801df8d958e1afa7c7b4b87450fda1be66593fbfc3084cb88ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5dadffa6b9d1e801df8d958e1afa7c7b4b87450fda1be66593fbfc3084cb88ba, en de alinea staat in dat document op bytes 7997 tot 8895.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5dadffa6b9d1e801df8d958e1afa7c7b4b87450fda1be66593fbfc3084cb88ba | shasum -a 256