Citaat | Hoge Raad 14 juli 2017

Onder 5.2. Hoge Raad 14 juli 2017

Een alinea uit Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1324.

De omstandigheid dat de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen volgens de Nederlandse wetgeving geacht worden te zijn genoten op een tijdstip waarop de belastingplichtige nog ingezetene van Nederland is, brengt in beginsel mee dat de (gewezen) werknemer ter zake van een heffing over die negatieve uitgaven geen beroep kan doen op rechten die op grond van een belastingverdrag toekomen aan inwoners van het land waarnaar hij zijn woonplaats verlegt. Een heffing die aangrijpt bij emigratie kan evenwel in strijd komen met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitlegging en toepassing van het belastingverdrag tussen de betrokken staten, als daarmee een voordeel wordt belast dat naar zijn werkelijke aard bezien – al dan niet potentieel – ter heffing is toegewezen aan de immigratiestaat (zie HR 19 juni 2009, nr. 43978, ECLI:NL:HR:2009:BC5201, BNB 2009/263).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/36fdcf3e962f46ddc7952c47b4cb084d4d917c7202373fe3dcb19ecc235e8e19. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 36fdcf3e962f46ddc7952c47b4cb084d4d917c7202373fe3dcb19ecc235e8e19, en de alinea staat in dat document op bytes 13851 tot 14751.