Citaat | Hoge Raad 10 januari 2017
Onder 2.2.2. Hoge Raad 10 januari 2017
Een alinea uit Hoge Raad 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:21.
Ik ben eigenaar van het bedrijf [B] te Eelde. Namens het bedrijf wil ik aangifte doen van oplichting. Eind december 2011 werden wij gebeld door [verdachte] . Hij vroeg ons of wij hem konden helpen aan 1000 rozen en 1000 tulpen. Dit konden wij en hij gaf aan deze te komen ophalen uit Eelde. Op 30 december 2011 kwam [verdachte] zijn bestelling afhalen en betaalde contant een bedrag van € 360,-. Wij spraken over de eventuele volgende leveringen. Op 5 januari 2012 kwam [verdachte] een tweede levering halen. Hij moest hiervoor bijna 1000 euro betalen. [verdachte] kwam met een hoop lege emmertjes, waarop statiegeld staat. Dit bedroeg in totaal € 765,-. Daarnaast betaalde hij nog zo'n goede € 200,- contant. [verdachte] gaf aan bij volgende leveringen via incasso te willen betalen. Daar hij bovenstaande leveringen betaald had, wekte hij bij mij een betrouwbare indruk. Wij hebben toen een formulier ingevuld, waarin staat van welk bankrekeningnummer wij de factuurbedragen af konden schrijven. Het rekeningnummer was [001] .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d82e11c3ac3fdfb79e94aaa11c38e49f5b03a8955a223ab2a3d753bbd01eb9bf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d82e11c3ac3fdfb79e94aaa11c38e49f5b03a8955a223ab2a3d753bbd01eb9bf, en de alinea staat in dat document op bytes 14629 tot 15676.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d82e11c3ac3fdfb79e94aaa11c38e49f5b03a8955a223ab2a3d753bbd01eb9bf | shasum -a 256