Citaat | Hoge Raad 10 januari 2017
Onder 2.2.2. Hoge Raad 10 januari 2017
Een alinea uit Hoge Raad 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:21.
lk ben eigenaar van [A] Amsterdam. Op 24 januari 2012 werd via onze internetsite contact gezocht door [verdachte] . Hij zocht een bedrijf welke elke week 7.000 rozen zou kunnen leveren. Hij vroeg of wij dat konden leveren. Hierop heb ik contact met hem opgenomen. Op 26 januari 2012 ben ik naar [verdachte] in Franeker gereden. Omdat [verdachte] voor ons een nieuwe klant was, wilde ik van tevoren weten wat voor iemand dit was en of we zaken konden doen. Tijdens dat bezoek kwam hij op mij heel betrouwbaar over. Omdat ik midden in zijn winkel stond en ik ook handel zag staan, oogde dit op mij als een betrouwbaar persoon waarmee ik wel zaken kon doen. Ik vroeg aan hem hoe hij de betalingen wilde gaan doen. Ik vertelde hem tevens dat wij voornamelijk via incasso werkten. Dit vond hij geen enkel probleem. Meteen pakte hij een briefje en schreef daarop zijn bankrekeningnummer, Kamer van Koophandel en BTW-nummer.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d82e11c3ac3fdfb79e94aaa11c38e49f5b03a8955a223ab2a3d753bbd01eb9bf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d82e11c3ac3fdfb79e94aaa11c38e49f5b03a8955a223ab2a3d753bbd01eb9bf, en de alinea staat in dat document op bytes 21136 tot 22067.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d82e11c3ac3fdfb79e94aaa11c38e49f5b03a8955a223ab2a3d753bbd01eb9bf | shasum -a 256