Citaat | Hoge Raad 10 januari 2017
Onder 2.2.3. Hoge Raad 10 januari 2017
Een alinea uit Hoge Raad 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:22.
De reden die verdachte daarvoor heeft gegeven, te weten dat zijn eigen leverancier telkens niet aan hem, verdachte, leverde, acht het hof niet aannemelijk. Daarbij is allereerst van belang dat verdachte pas ter zitting van het hof op 14 mei 2014 de naam van die bewuste leverancier heeft willen noemen. Zelfs het begin van enige feitelijke onderbouwing van de stelling van verdachte dat hij met [betrokkene 7] was overeengekomen dat die hem de in de tenlastelegging genoemde en door verdachte aan aangevers genoemde goederen zou leveren ontbreekt. Verdachte heeft evenmin betalingsbewijzen van zijn betalingen aan [betrokkene 7] overgelegd. Dat verdachte in de zaken van aangevers daadwerkelijk zaken met [betrokkene 7] zou hebben gedaan en dat diens wanpresteren voor verdachte de onmogelijkheid van het leveren van de aan aangevers verkochte goederen heeft teweeg gebracht, acht het hof, bij gebreke van enige feitelijke onderbouwing daarvan, niet aannemelijk geworden. In dit verband overweegt het hof nog dat de overeenkomsten met de 6 aangevers over een langere periode tot stand zijn gekomen. Het is, indien verdachte daadwerkelijk met [betrokkene 7] zaken zou hebben gedaan, onwaarschijnlijk en ook onaannemelijk dat hij dat bleef doen terwijl [betrokkene 7] kennelijk telkens niet leverde.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e5d3b50b3a0c67155136e5f25067ab5f04dad9f32254e7756495ebe07b2a56aa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e5d3b50b3a0c67155136e5f25067ab5f04dad9f32254e7756495ebe07b2a56aa, en de alinea staat in dat document op bytes 17825 tot 19135.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e5d3b50b3a0c67155136e5f25067ab5f04dad9f32254e7756495ebe07b2a56aa | shasum -a 256