Citaat | Hoge Raad 14 februari 2017

Onder 2.4. Hoge Raad 14 februari 2017

Een alinea uit Hoge Raad 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236.

Na zijn aanhouding op 7 mei 2014 is de verdachte teruggekomen op deze verklaringen. Hij zou een dag voor zijn eerste verhoor als getuige in de zaak van [medeverdachte] door een vriend van deze [medeverdachte] zijn gebeld, die hem niet alleen vertelde dat [medeverdachte] was aangehouden, maar ook wat hij, verdachte, aan de politie moest vertellen. De verdachte heeft eerst na zijn aanhouding verklaard in het geheel geen geld en ook geen horloge aan [medeverdachte] te hebben gegeven. Hij weet dat [medeverdachte] 'een boefje' is, hij zou hem al een jaar niet hebben gezien en alleen soms telefonisch contact met hem hebben. Gelet op de overige bevindingen in het dossier heeft het hof geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze naderhand door de verdachte afgelegde verklaring.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/882e3971a0dbbfd1e68f6b26e5bcc3db47f696409b82e94b480133dabb6d4a13. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 882e3971a0dbbfd1e68f6b26e5bcc3db47f696409b82e94b480133dabb6d4a13, en de alinea staat in dat document op bytes 20578 tot 21377.