Citaat | Hoge Raad 15 september 2017

Onder 5.3.3 Hoge Raad 15 september 2017

Een alinea uit Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.

Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600, NJ 2016/380 (K./Rabobank), volgt uit art. 241 Rv en de toelichting op het daarmee corresponderende art. 57 lid 6 (oud) Rv (Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 36) dat de art. 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert ingevolge art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv aan art. 6:96 lid 2 BW. Zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/121eb6bd8d3671c430333facfbdafb0300d7f68af2039f066afbc8237143f3b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 121eb6bd8d3671c430333facfbdafb0300d7f68af2039f066afbc8237143f3b5, en de alinea staat in dat document op bytes 42001 tot 42826.