Citaat | Hoge Raad 19 september 2017

Onder 3.3. Hoge Raad 19 september 2017

Een alinea uit Hoge Raad 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2413.

Op 9 januari 2014 was ik met [betrokkene 1] in Garrelsweer. (...) Terwijl we stonden te praten zag ik de man die we eerder hadden getroffen weer aan komen lopen. Ik zag dat de man iets in zijn hand had. Hij stond heel dicht bij ons. Ik zag iets glinsteren. Het kan een mes of schroevendraaier zijn geweest wat hij in zijn hand had. De man had het glinsterende voorwerp onderhands vast. Toen ik hem zag was de man al dicht genaderd. Ik zag dat de man een armbeweging naar het hoofd van [betrokkene 1] maakte. In de hand van deze arm zat ook het voorwerp wat ik u noemde. Ik zag aan de hoofdbeweging van [betrokkene 1] dat hij kennelijk geraakt was. Ik zag ook de hand van [betrokkene 1] naar zijn gezicht gaan. Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen: "He jo gek". Toen [betrokkene 1] zijn jas uittrok zag ik dat [betrokkene 1] bloed had aan zijn linker onderarm. Ik zag ook dat hij een kras op zijn gezicht had.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5b9ecab30ed8a19f3f6a7587039bd955829ad1caaa30dc1ef53b2931b8240677. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5b9ecab30ed8a19f3f6a7587039bd955829ad1caaa30dc1ef53b2931b8240677, en de alinea staat in dat document op bytes 10346 tot 11262.