Citaat | Hoge Raad 24 november 2017

Onder 3.4.2 Hoge Raad 24 november 2017

Een alinea uit Hoge Raad 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2991.

In geval van surseance van betaling wordt een rentedragende vordering ingevolge art. 260 lid 1 Fw op de (in art. 259 Fw bedoelde) lijst gebracht met bijrekening van de rente tot de aanvang van de surseance. Na aanvang van de surseance loopt de rente wel door, maar deze wordt niet meegerekend voor de bepaling van de hoogte van de vordering. De hoogte van de vordering is van belang voor de vaststelling of de meerderheid die art. 268 lid 1 Fw vereist, voor het aannemen van een akkoord heeft gestemd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/11b0b2cd60e571f63eac2ba5964bf598084342674d4cacf798d51b44f38978c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 11b0b2cd60e571f63eac2ba5964bf598084342674d4cacf798d51b44f38978c4, en de alinea staat in dat document op bytes 10264 tot 10778.