Citaat | Hoge Raad 24 november 2017

Onder 3.4.3 Hoge Raad 24 november 2017

Een alinea uit Hoge Raad 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2991.

Indien ingevolge een van de bepalingen van Titel II van de Faillissementswet of binnen een maand na het einde van de surseance de faillietverklaring wordt uitgesproken, gelden op grond van art. 249 lid 1 Fw de in die bepaling genoemde regels. Art. 249 Fw strekt ertoe dat (onder de in dat artikel genoemde omstandigheden) de surseance en het daarop volgend faillissement als een geheel worden behandeld, in die zin dat onder meer overeenkomsten die tijdens de surseance met medewerking van de bewindvoerder(s) zijn aangegaan de boedel ook na de faillietverklaring blijven binden en dat boedelschulden ontstaan tijdens de surseance gelden als boedelschulden in het faillissement, dus als schulden die geen verificatie behoeven en een onmiddellijke aanspraak op de boedel geven (HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0343, NJ 1988/964).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/11b0b2cd60e571f63eac2ba5964bf598084342674d4cacf798d51b44f38978c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 11b0b2cd60e571f63eac2ba5964bf598084342674d4cacf798d51b44f38978c4, en de alinea staat in dat document op bytes 10892 tot 11736.