Citaat | Hoge Raad 24 november 2017
Onder 3.4.3 Hoge Raad 24 november 2017
Een alinea uit Hoge Raad 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2991.
Aan de in art. 249 Fw besloten liggende hoofdregel van continuïteit en eenheid tussen surseance en opvolgend faillissement kan evenwel niet in alle gevallen, ongeacht de strekking van de in het concrete geval betrokken bepalingen, toepassing gegeven worden. Zo is in HR 4 februari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7003, NJ 1978/66, geoordeeld dat de in art. 133 Fw bedoelde geschatte waarde van een ter verificatie ingediende vordering waarvan de waarde niet in Nederlands geld is uitgedrukt, bepaald moet worden naar de dag van de faillietverklaring als het moment waarop de rechten van de schuldeisers worden gefixeerd, en dat, als een surseance onmiddellijk aan het faillissement is voorafgegaan, art. 249 Fw niet meebrengt dat die waarde bepaald moet worden naar de dag van verlening van de surseance.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/11b0b2cd60e571f63eac2ba5964bf598084342674d4cacf798d51b44f38978c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 11b0b2cd60e571f63eac2ba5964bf598084342674d4cacf798d51b44f38978c4, en de alinea staat in dat document op bytes 11748 tot 12559.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/11b0b2cd60e571f63eac2ba5964bf598084342674d4cacf798d51b44f38978c4 | shasum -a 256