Citaat | Hoge Raad 8 december 2017

Onder 2.2.3. Hoge Raad 8 december 2017

Een alinea uit Hoge Raad 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3084.

Het Hof daarentegen heeft de in 2.2.1 genoemde vraag ontkennend beantwoord. Daartoe overwoog het Hof dat partijen zich in hoger beroep eensluidend op het standpunt hebben gesteld dat de brief van 6 juli 2012 geen beschikking vormt waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. Het Hof heeft partijen hierin gevolgd omdat naar zijn oordeel niet is komen vast te staan dat zij zich op een juridisch onjuist uitgangspunt hebben gesteld. Daarnaast heeft het Hof vastgesteld dat de door de Ontvanger aan belanghebbende gezonden acceptgirokaarten niet voldoen aan de vereisten die ingevolge artikel 30, lid 1, Inv 1990 voor een beschikking gelden, en dat het bedrag van de verschuldigde invorderingsrente evenmin op andere wijze schriftelijk aan belanghebbende kenbaar is gemaakt. De Rechtbank had het beroep van belanghebbende daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus het Hof.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3bdb3335c849aa056abebaaba12986c44439d1cf989c26165eb02163a5b6bae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3bdb3335c849aa056abebaaba12986c44439d1cf989c26165eb02163a5b6bae, en de alinea staat in dat document op bytes 12045 tot 12940.