Citaat | Hoge Raad 15 december 2017
Onder 3.2 Hoge Raad 15 december 2017
Een alinea uit Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3149.
Moet als boedelschuld worden aangemerkt de omzetbelastingschuld die ontstaat doordat de pandhouder op de voet van art. 3:251 BW na faillissement van de pandgever overgaat tot onderhandse verkoop en levering aan particulieren en doordat de pandhouder zich (ingevolge het arrest HR 6 mei 1983, NJ 1984/228 (Rentekas)) mede verhaalt op de in de opbrengst begrepen omzetbelasting? Zo ja, valt deze in één van de drie door de Hoge Raad in rov. 3.7.1 van het arrest van 19 april 2013, NJ 2013/291 ( Koot /Tideman) genoemde categorieën boedelschulden?
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db6d287d050670664b0134c310a11420bc18d2ec1168c769e5bd4d99dd25f95a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db6d287d050670664b0134c310a11420bc18d2ec1168c769e5bd4d99dd25f95a, en de alinea staat in dat document op bytes 12999 tot 13560.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/db6d287d050670664b0134c310a11420bc18d2ec1168c769e5bd4d99dd25f95a | shasum -a 256