Citaat | Hoge Raad 15 december 2017
Onder 3.4.1 Hoge Raad 15 december 2017
Een alinea uit Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3149.
De Hoge Raad verstaat de prejudiciële vragen aldus, dat deze betrekking hebben op alle gevallen waarin krachtens art. 3:251 BW een van art. 3:250 BW afwijkende wijze van verkoop heeft plaatsgevonden, dus ook indien dat berust op een overeenkomst met de curator - of op een voor de faillietverklaring met de pandhouder aangegane overeenkomst – en de verkoop plaatsvindt op een wijze als in deze zaak aan de orde, door verkoop vanuit de tot de boedel behorende winkels door personeel van de gefailleerde. De Hoge Raad verstaat de prejudiciële vragen voorts aldus dat het daarbij gaat om verkoop aan particulieren, waarbij dus geen sprake is van verlegging als bedoeld in het hiervoor in 3.3.4 genoemde art. 24ba lid 1, aanhef en onder d, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db6d287d050670664b0134c310a11420bc18d2ec1168c769e5bd4d99dd25f95a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db6d287d050670664b0134c310a11420bc18d2ec1168c769e5bd4d99dd25f95a, en de alinea staat in dat document op bytes 19305 tot 20097.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/db6d287d050670664b0134c310a11420bc18d2ec1168c769e5bd4d99dd25f95a | shasum -a 256