Citaat | Hoge Raad 24 februari 2017

Onder 3.6.4 Hoge Raad 24 februari 2017

Een alinea uit Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316.

In rov. 3.6 verwijst het hof naar de ernst van het delict waarvoor eiser is veroordeeld en het grote belang van het publiek om daarover te worden geïnformeerd (welke overweging het hof herhaalt in rov. 3.10 en 3.14). Voorts neemt het hof in aanmerking dat eiser de publiciteit aan zijn eigen gedrag te wijten heeft. Deze overwegingen kunnen op zichzelf het oordeel dragen dat de publiciteit omtrent de veroordeling van eiser rechtmatig is. Voor afwijzing van de vordering van eiser in dit geding is dat laatste evenwel ontoereikend. In het arrest Google/Costeja is immers (in punt 88, hiervoor in 3.5.4 aangehaald) overwogen dat, voor zover aan de toepassingsvoorwaarden van de art. 12, onder b, en 14, eerste alinea onder a, van de Richtlijn persoonsgegevens is voldaan, de exploitant van een zoekmachine verplicht is om van de resultatenlijst die na een zoekopdracht op de naam van een persoon wordt weergegeven, de koppelingen te verwijderen naar door derden gepubliceerde webpagina’s waarop informatie over deze persoon is te vinden “in voorkomend geval zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is”.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a943e313823b0420f18ab799626c4b6b379db822f10794d0949d3a278c67587c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a943e313823b0420f18ab799626c4b6b379db822f10794d0949d3a278c67587c, en de alinea staat in dat document op bytes 29323 tot 30480.