Citaat | Hoge Raad 22 december 2017
Onder 4.2.2 Hoge Raad 22 december 2017
Een alinea uit Hoge Raad 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250.
De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge art. 187 lid 3, aanhef en onder a en b, Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, alsmede de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, alsmede voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Niet is vereist dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. (Zie bijv. HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0878, NJ 1994/345.)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bee905f211521b7bf37acace0a201abed480f77d8338d184dbfa35b3dfee992a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bee905f211521b7bf37acace0a201abed480f77d8338d184dbfa35b3dfee992a, en de alinea staat in dat document op bytes 17563 tot 18375.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bee905f211521b7bf37acace0a201abed480f77d8338d184dbfa35b3dfee992a | shasum -a 256