Citaat | Hoge Raad 22 december 2017
Onder 3.4.3 Hoge Raad 22 december 2017
Een alinea uit Hoge Raad 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3262.
Op grond van het vorenstaande kan niet worden aanvaard dat het begrip ‘opzettelijk’ als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW aldus moet worden verstaan dat is vereist dat de desbetreffende deelgenoot het oogmerk had om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten. Voor het ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW is voldoende dat de desbetreffende deelgenoot weet dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfbe45fecb4cb1e54625ea7ed04374e9bbe44baa7331379a45b3ea7d00cd82ca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfbe45fecb4cb1e54625ea7ed04374e9bbe44baa7331379a45b3ea7d00cd82ca, en de alinea staat in dat document op bytes 39235 tot 39757.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bfbe45fecb4cb1e54625ea7ed04374e9bbe44baa7331379a45b3ea7d00cd82ca | shasum -a 256