Citaat | Hoge Raad 22 december 2017
Onder 3.5.1 Hoge Raad 22 december 2017
Een alinea uit Hoge Raad 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3263.
Onderdeel 3 betoogt dat ook indien de akte van 30 maart 2010 slechts vrije bewijskracht zou hebben, het hof dit stuk kenbaar in zijn bewijswaardering had moeten betrekken. Volgens het onderdeel heeft het hof in rov. 10.5 de akte van 30 maart 2010 ten onrechte van zijn bewijswaardering uitgesloten en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 152 Rv. De onderdelen 9-12 wijzen in dit verband onder meer erop dat het hof in rov. 7.7 van het tweede tussenarrest [eiseres] juist had opgedragen om bewijs te leveren dat kon strekken tot aanvulling van het reeds aangedragen bewijs, waaronder die akte. Ook diverse andere onderdelen bevatten de klacht dat het hof de bewijsmiddelen – zoals de onderscheiden getuigenverklaringen – niet in samenhang met de akte van 30 maart 2010 heeft gewaardeerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bf0b80e2e0a18d4a081b12a4b4308f55c18d013abc6a4fe6a0f1cc88b7abb5d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bf0b80e2e0a18d4a081b12a4b4308f55c18d013abc6a4fe6a0f1cc88b7abb5d, en de alinea staat in dat document op bytes 21075 tot 21930.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2bf0b80e2e0a18d4a081b12a4b4308f55c18d013abc6a4fe6a0f1cc88b7abb5d | shasum -a 256