Citaat | Hoge Raad 10 maart 2017

Onder 3.3.2 Hoge Raad 10 maart 2017

Een alinea uit Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.

De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aff751740dd399fe343376bc5c780cbd8bfb2f1200fca266cc9fa18b1b62ae46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aff751740dd399fe343376bc5c780cbd8bfb2f1200fca266cc9fa18b1b62ae46, en de alinea staat in dat document op bytes 20310 tot 21181.