Citaat | Hoge Raad 14 maart 2017

Onder 3.5. Hoge Raad 14 maart 2017

Een alinea uit Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416.

Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat - anders dan het Hof tot uitgangspunt heeft genomen - het voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96, tweede lid, Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. Die opvatting is juist. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat moet worden aangenomen dat hetgeen onder 3.4 is weergegeven omtrent de voor toepassing van art. 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96, tweede lid, Sr. Vereist is derhalve slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (vgl. HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/17ccdd9edafe015bc1ace67196f2b88311b238e3865c2c80dc5ec3469d2d615c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 17ccdd9edafe015bc1ace67196f2b88311b238e3865c2c80dc5ec3469d2d615c, en de alinea staat in dat document op bytes 25835 tot 26925.