Citaat | Hoge Raad 14 maart 2017
Onder 2.2.3. Hoge Raad 14 maart 2017
Een alinea uit Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:430.
Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit is ten minste vereist dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen ten opzichte van het voeren van een deugdelijke administratie in de zin van artikel 2:10 en/of 3:15a (oud) BW. Voorts moet dit nalaten zijn verricht "ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon". Dit wil zeggen dat verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten der schuldeisers (oftewel op de benadeling van de schuldeisers), waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Voor het bewijs van dit voorwaardelijk opzet is allereerst vereist dat de gedragingen van verdachte tenminste de aanmerkelijke kans op die benadeling hebben doen ontstaan. Daarnaast moet de verdachte die aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5f66cc086757d1df2593b88365017b67d816ee3952af36ae43fe35e102bc56db. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5f66cc086757d1df2593b88365017b67d816ee3952af36ae43fe35e102bc56db, en de alinea staat in dat document op bytes 27204 tot 28042.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5f66cc086757d1df2593b88365017b67d816ee3952af36ae43fe35e102bc56db | shasum -a 256