Citaat | Hoge Raad 17 maart 2017
Onder 4.1.3 Hoge Raad 17 maart 2017
Een alinea uit Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:459.
Ook de klacht van het onderdeel dat niet valt in te zien waarom deze vaststelling relevant is voor de bewijslast ter zake van de gestelde telefonische mededeling, treft geen doel. In het licht van de stelling van [verzoekster] (memorie van antwoord in het incidenteel appel, punt 34) dat de door haar gestelde telefonische mededeling van [betrokkene 1] of [betrokkene 2] is gedaan tussen 23 en 25 oktober 2007, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de wanden, met de daarin verwerkte wapening, in opdracht van [verzoekster] zelfs al voor het door haar gestelde telefoongesprek gefabriceerd waren. Naast de overige in rov. 3.8.2 genoemde omstandigheden kon deze omstandigheid bijdragen aan het oordeel van het hof dat de door [verzoekster] gestelde telefonische mededeling nog niet als vaststaand kan worden aangemerkt, zodat bewijslevering op dat punt noodzakelijk is. Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat het hof zijn oordeel over de bewijslastverdeling mede op bedoelde vaststelling heeft gegrond, mist het feitelijke grondslag.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fef3511677652ebb9e96510ecae35a98c1d44934eb49ab6ae2b00edf2d5158eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fef3511677652ebb9e96510ecae35a98c1d44934eb49ab6ae2b00edf2d5158eb, en de alinea staat in dat document op bytes 20252 tot 21302.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fef3511677652ebb9e96510ecae35a98c1d44934eb49ab6ae2b00edf2d5158eb | shasum -a 256