Citaat | Hoge Raad 21 maart 2017

Onder 3.7. Hoge Raad 21 maart 2017

Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel terecht klaagt dat het Hof het gevoerde verweer op ondeugdelijke gronden heeft verworpen. De gegrondheid van het middel behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden omdat het Hof het verweer dat de opgeëiste persoon door overheidsfunctionarissen van de verzoekende Staat is uitgelokt tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht (de zogenoemde entrapment defense in het Amerikaanse recht), slechts had kunnen verwerpen. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.6 sub B onder (ii) is vooropgesteld, komt de uitleveringsrechter immers bij een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging in de regel niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer over een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Nu door of namens de opgeëiste persoon niet is aangevoerd dat zich de in 3.6 sub B onder (iii) bedoelde situatie zal voordoen, lijdt die regel in casu geen uitzondering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a32b658edd5dceea7e4bf1c7313185299739f6b61918bec8f6948bc7d6fcbedb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a32b658edd5dceea7e4bf1c7313185299739f6b61918bec8f6948bc7d6fcbedb, en de alinea staat in dat document op bytes 23721 tot 24723.