Citaat | Hoge Raad 21 maart 2017
Onder 2.2. Hoge Raad 21 maart 2017
Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467.
Op 28 augustus 2012 te 23:11:06 uur een sms-bericht naar het nummer [005] . Ik zal [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) wel een sms-bericht hebben gestuurd. Op 28 augustus 2012 te 23:42:22 uur heb ik weer een sms-bericht verstuurd naar nummer [005] . Ik neem aan dat ik dat bericht naar [medeverdachte] heb verstuurd. Op 28 augustus 2012 te 23.50.10 uur wordt er met mijn nummer naar het nummer van [betrokkene 5] (het hof begrijpt: [betrokkene 5] ) gebeld (06- [006] ). Het is aannemelijk dat ik [betrokkene 5] gebeld heb. Als [betrokkene 5] heeft verklaard dat ik in dat gesprek aan hem heb gevraagd waar [medeverdachte] was, dan zou dat best kunnen. Ik belde hem wel vaker op met de vraag waar [medeverdachte] was.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2d799326113ef4eabfeaa030ad1b6bdad72ded910a181eb747cfa458333dd55. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2d799326113ef4eabfeaa030ad1b6bdad72ded910a181eb747cfa458333dd55, en de alinea staat in dat document op bytes 52155 tot 52915.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f2d799326113ef4eabfeaa030ad1b6bdad72ded910a181eb747cfa458333dd55 | shasum -a 256