Citaat | Hoge Raad 21 maart 2017
Onder 2.5. Hoge Raad 21 maart 2017
Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:476.
Zowel in het geval door of namens de verdachte hoger beroep is ingesteld als wanneer het beroep is ingesteld door de officier van justitie dient de rechter rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 rov. 3.36). Van de verdachte die een rechtsmiddel heeft ingesteld en die prijs stelt op berechting in hoger beroep op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd - opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac7bd87beffe50a1953a0a2d5185bb74157ee933ebf088b58763c5a24fcc4e57. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac7bd87beffe50a1953a0a2d5185bb74157ee933ebf088b58763c5a24fcc4e57, en de alinea staat in dat document op bytes 11638 tot 12686.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ac7bd87beffe50a1953a0a2d5185bb74157ee933ebf088b58763c5a24fcc4e57 | shasum -a 256