Citaat | Hoge Raad 24 maart 2017

Onder 3.3.5 Hoge Raad 24 maart 2017

Een alinea uit Hoge Raad 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:494.

Het recht een vordering in te stellen is niet absoluut en mag onderhevig zijn aan beperkingen. Een beperking mag echter niet het wezen van het recht op toegang tot de rechter aantasten en is niet verenigbaar met art. 6 lid 1 EVRM indien deze geen legitiem doel dient of niet proportioneel is aan het daarmee nagestreefde doel. (Vgl. EHRM 22 oktober 1996, NJ 1997/449, Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijk) Gelet op de duur van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, alsmede gelet op de mogelijkheid die verjaring met toepassing van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing te laten, is sprake van een beperking van het recht op toegang tot de rechter die met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar is. Of toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld aan de hand van de in het arrest van 28 april 2000 in rov. 3.3.3 onder a tot en met g vermelde, niet limitatief bedoelde, gezichtspunten. Aldus nog steeds het arrest [...] / De Schelde .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ad4ca2ea13932723e9207c2db021eded82cfb3c4486e00c17f658bcde115663e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ad4ca2ea13932723e9207c2db021eded82cfb3c4486e00c17f658bcde115663e, en de alinea staat in dat document op bytes 23184 tot 24448.