Citaat | Hoge Raad 6 januari 2017
Onder 3.4.1. Hoge Raad 6 januari 2017
Een alinea uit Hoge Raad 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:5.
In dit verband slaagt ook middel I. De uitleg van een door een procespartij aangevoerde stelling is in beginsel voorbehouden aan de rechtbank of het gerechtshof, tenzij die uitleg in het licht van de stukken van het geding onbegrijpelijk is. De stukken van het onderwerpelijke geding laten geen andere conclusie toe dan dat – zoals middel I terecht aanvoert - de subsidiaire stelling van de Inspecteur niet zonder meer inhield dat belanghebbende geen vergoeding of een symbolische vergoeding zou hebben bedongen. Uit die stukken moet de conclusie worden getrokken dat die stelling van de Inspecteur - die inhield dat het samenstel van (rechts)handelingen tussen belanghebbende, de Stichting en [D] respectievelijk [E] , en de daarmee gemoeide geldstromen neerkomen op een ‘kasrondje’ - diende ter motivering van zijn stelling dat zich misbruik van recht voordoet. Het Hof heeft derhalve die stelling op onjuiste gronden verworpen door te verwijzen naar de onderdelen 4.3.4 en 6.1 van het arrest BNB 2014/158.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/43cca15e46111d6d417136fce88cac9ad5080bc9574a339fe7ffdc6ebb4b275c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 43cca15e46111d6d417136fce88cac9ad5080bc9574a339fe7ffdc6ebb4b275c, en de alinea staat in dat document op bytes 17406 tot 18433.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/43cca15e46111d6d417136fce88cac9ad5080bc9574a339fe7ffdc6ebb4b275c | shasum -a 256