Citaat | Hoge Raad 31 maart 2017
Onder 3.5.2 Hoge Raad 31 maart 2017
Een alinea uit Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565.
Met betrekking tot de sanctie van art. 1:135 lid 3 BW – welke bepaling ziet op het verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed dat tot te verrekenen vermogen behoort – heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3475, NJ 2016/15 geoordeeld dat blijkens de tekst van en toelichting op die bepaling pas een beroep op de sanctie kan worden gedaan nadat verrekening heeft plaatsgevonden. Dit houdt mede verband met de omstandigheid dat het hier gaat om niet-gemeenschappelijke vermogensbestanddelen, waarvan het bestaan voor de vermogensrechtelijke verhouding tussen de betrokkenen pas relevant wordt in het kader van een eventuele verrekening.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86b5bf1453f8f72e41830146ce67f58eb3db103cc576e75160e5e4aed3d01e81. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86b5bf1453f8f72e41830146ce67f58eb3db103cc576e75160e5e4aed3d01e81, en de alinea staat in dat document op bytes 23444 tot 24140.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/86b5bf1453f8f72e41830146ce67f58eb3db103cc576e75160e5e4aed3d01e81 | shasum -a 256