Citaat | Hoge Raad 31 maart 2017
Onder 3.5.3 Hoge Raad 31 maart 2017
Een alinea uit Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565.
Het bestreden oordeel moet aldus worden verstaan dat het hof van oordeel was dat [eiser] te laat tot inkeer is gekomen, in die zin dat hij het bestaan van de onderhavige vordering pas aan [verweerder] heeft meegedeeld nadat de verzwijging als in art 3:194 lid 2 BW bedoeld, al had plaatsgevonden. Dit oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor in 3.5.2 is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk gemotiveerd, aangezien het klaarblijkelijk erop is gebaseerd dat [eiser] in het telefoongesprek van oktober 2008 tegen beter weten in het bestaan van de nummerrekening voor [verweerder] heeft verzwegen en zich naderhand op het standpunt heeft gesteld dat het saldo van die rekening door erflaatster aan hem was geschonken, een en ander met het opzet het desbetreffende banksaldo buiten de verdeling te houden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86b5bf1453f8f72e41830146ce67f58eb3db103cc576e75160e5e4aed3d01e81. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86b5bf1453f8f72e41830146ce67f58eb3db103cc576e75160e5e4aed3d01e81, en de alinea staat in dat document op bytes 25385 tot 26254.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/86b5bf1453f8f72e41830146ce67f58eb3db103cc576e75160e5e4aed3d01e81 | shasum -a 256