Citaat | Hoge Raad 21 april 2017
Onder 3.1.1. Hoge Raad 21 april 2017
Een alinea uit Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:730.
Het eerste middel van de Staatssecretaris bestrijdt het hiervoor in 2.12 weergegeven oordeel van het Hof, inhoudende dat het economische belang bij de obligatieportefeuilles en de opbrengst daarvan niet belanghebbende toekwam en dat zij slechts een vergoeding voor verleende diensten genoot. Het middel betoogt daartoe, met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1999, nr. 33830, ECLI:NL:HR:1999:AA3862, BNB 2000/126, dat het Hof ten onrechte is gekomen tot een fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten, aangezien een dergelijke kwalificatie slechts is toegestaan indien de uitkomst die voortvloeit uit de gekozen juridische vormgeving gelet op de strekking van de belastingwet niet aanvaardbaar is. Het Hof heeft die toets ten onrechte niet aangelegd, aldus het middel, aangezien het Hof met betrekking tot de overdracht van de obligatieportefeuilles en de daarmee samenhangende PPL’s geen oordeel heeft gegeven over de strekking van de wet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b55387394b5d61d5ddcd0b9e758c4025107755ae476ba2f749dd4f4468c0836f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b55387394b5d61d5ddcd0b9e758c4025107755ae476ba2f749dd4f4468c0836f, en de alinea staat in dat document op bytes 20356 tot 21337.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b55387394b5d61d5ddcd0b9e758c4025107755ae476ba2f749dd4f4468c0836f | shasum -a 256