Citaat | Hoge Raad 21 april 2017
Onder 3.6.5 Hoge Raad 21 april 2017
Een alinea uit Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773.
Opmerking verdient voorts dat de bepaling van art. 7A:1576c BW, die de vervroegde opeisbaarheid van termijnen regelt, niet aan de orde is gesteld bij de prejudiciële vragen en in deze zaak kennelijk ook geen rol speelt. Die bepaling brengt als zodanig ook geen verandering in hetgeen hierna wordt overwogen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f694f98aa7cc192e9d827bcab9f6d94aab0e71f11104dd13e4c3e2f714fc575e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f694f98aa7cc192e9d827bcab9f6d94aab0e71f11104dd13e4c3e2f714fc575e, en de alinea staat in dat document op bytes 31512 tot 31833.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f694f98aa7cc192e9d827bcab9f6d94aab0e71f11104dd13e4c3e2f714fc575e | shasum -a 256