Citaat | Hoge Raad 19 mei 2017

Onder 4.5.7 Hoge Raad 19 mei 2017

Een alinea uit Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936.

Ingevolge art. 3:316 lid 2 BW is, indien een ingestelde eis niet tot toewijzing leidt, de verjaring slechts gestuit indien binnen zes maanden nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Blijkens de wetsgeschiedenis van art. 3:316 BW dient bij de zinsnede ‘of op andere wijze is geëindigd’ onder meer te worden gedacht aan afstand van instantie of aan het geval van een schikking tussen partijen gevolgd door royement. Het ‘op andere wijze’ eindigen van de procedure wordt evenwel niet bewerkstelligd door een enkele doorhaling op de rol. Volgens art. 246 lid 2 Rv heeft doorhaling op de rol geen rechtsgevolgen en kunnen partijen de rechtsgevolgen bij overeenkomst bepalen. (HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240, NJ 2015/207 (Allianz Belgium/W.))

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/de9d99a70285ca348501f29da5ac74e1dbcdb013138b3cd8bd43a45c0c1d8f83. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt de9d99a70285ca348501f29da5ac74e1dbcdb013138b3cd8bd43a45c0c1d8f83, en de alinea staat in dat document op bytes 27526 tot 28430.