Citaat | Hoge Raad 30 mei 2017
Onder 3.2.3. Hoge Raad 30 mei 2017
Een alinea uit Hoge Raad 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:970.
In het voorliggende wetsvoorstel wordt de matigingsbevoegdheid van de rechter op nieuwe leest geschoeid. Veel van de ontnemingsrechtspraak is gewijd aan de kwestie van de draagkracht van de veroordeelde en de wijze waarop de rechter in dit verband de matigingsbevoegdheid van artikel 36e, vierde lid, laatste volzin Sr toepast. De Hoge Raad heeft bij zijn beslissing van 10 november 1998 (JOW 1999/6) geoordeeld dat de gegevens omtrent de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde van belang kunnen zijn voor de vaststelling door de rechter van het door de veroordeelde te betalen bedrag. De rechter dient in het geval dat aannemelijk is dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge art. 36e, vierde lid, laatste volzin. De reden daarvoor is door de Hoge Raad genoemd in zijn beslissing van 7 mei 1996 (NJ 1997, 404). In die beslissing memoreert de Hoge Raad eerst de matigingsmogelijkheden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e3cc9159b21ced9865275d5112127d37e56788a5ae27589f349bb9ed6f5f862b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e3cc9159b21ced9865275d5112127d37e56788a5ae27589f349bb9ed6f5f862b, en de alinea staat in dat document op bytes 22183 tot 23242.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e3cc9159b21ced9865275d5112127d37e56788a5ae27589f349bb9ed6f5f862b | shasum -a 256