Citaat | Hoge Raad 2 juni 2017

Onder 3.4.1. Hoge Raad 2 juni 2017

Een alinea uit Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:979.

Uit (onder meer) het arrest Paul Newey volgt voorts dat aangezien contractuele bepalingen normaliter de economische en commerciële realiteit van de handelingen weergeven, zij, omwille van de rechtszekerheid, een in aanmerking te nemen factor vormen teneinde te bepalen wie de verrichter en ontvanger van een prestatie in de zin van de Wet zijn. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt ook dat het beginsel van het verbod van misbruik ertoe leidt dat voor de heffing van omzetbelasting niet de in de contractuele bepalingen neergelegde gevolgen worden verbonden aan zuiver kunstmatige constructies die geen verband houden met de economische realiteit en waarvan het wezenlijke doel enkel bestaat in het verkrijgen van een belastingvoordeel (vgl. in die zin het arrest Halifax, punten 70, 71 en 75, het arrest Paul Newey, punt 46, en HvJ 17 december 2015, WebMindLicenses, C-419/14, ECLI:EU:C:2015:832, punten 35, 36 en 42, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecf3036c9e2e94f4cd085ceacd161367353b030c27aaf41514abddc5189c3585. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecf3036c9e2e94f4cd085ceacd161367353b030c27aaf41514abddc5189c3585, en de alinea staat in dat document op bytes 12511 tot 13496.