Citaat | Hoge Raad 29 juni 2018

Onder 4.2. Hoge Raad 29 juni 2018

Een alinea uit Hoge Raad 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1034.

Wat betreft de toepassing van artikel 22e, lid 2, van de AWR heeft de Minister voor de Rechtbank en het Hof enkel aangevoerd dat sprake was van schijntransacties, dat belanghebbende daarvan kennis had en dat hij als leidinggevende actief betrokken was bij de opzet en de uitvoering van de transactiestructuur. In aanmerking genomen dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat geen sprake is van schijntransacties (zie hiervoor in 3.1), heeft de Minister onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen concluderen dat enig handelen of nalaten van belanghebbende was gericht op het ontduiken van aanvullende rechten. Voor zover uitnodigingen tot betaling zijn uitgereikt na het verstrijken van de in artikel 221, lid 3, van het CDW bedoelde termijn van drie jaar, kunnen deze niet in stand blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe43989e371082480e895809de334f3370d05c366ee1cb9171d5dc2fe5005150. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe43989e371082480e895809de334f3370d05c366ee1cb9171d5dc2fe5005150, en de alinea staat in dat document op bytes 48344 tot 49168.