Citaat | Hoge Raad 6 juli 2018

Onder 4.1.3 Hoge Raad 6 juli 2018

Een alinea uit Hoge Raad 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1108.

In cassatie is niet in geschil dat de in geding zijnde arbeidsovereenkomsten dienen te worden aangemerkt als arbeidsovereenkomsten in de zin van art. 8:211, aanhef en onder b, BW. De vorderingen van [verweerders] zijn ontstaan doordat Avra Towage niet heeft voldaan aan haar uit deze arbeidsovereenkomsten voortvloeiende verplichting om zorg te dragen voor een (pre)pensioenvoorziening voor [verweerders] Deze vorderingen staan in een voldoende verband met de arbeidsovereenkomsten om te worden aangemerkt als vorderingen ‘ontstaan uit de zee-arbeidsovereenkomsten’ zoals bedoeld in art. 8:211, aanhef en onder b, BW. Mede gelet op de hiervoor in 4.1.2 weergegeven strekking van het voorrecht, bieden de wet en de wetgeschiedenis geen steun voor een andere, beperktere, opvatting waarin het met het voorrecht van art. 8:211, aanhef en onder b, BW gediende belang van de zeevarende in een geval als het onderhavige zou moeten wijken voor het met het recht van hypotheek gediende belang van de scheepshypotheekhouder.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4aa49f7c1b6d7e9ba98dc2cab1abf74c5ac9f8c9acad4db1d6ded896a794517e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4aa49f7c1b6d7e9ba98dc2cab1abf74c5ac9f8c9acad4db1d6ded896a794517e, en de alinea staat in dat document op bytes 39109 tot 40142.