Citaat | Hoge Raad 26 januari 2018

Onder 3.5.2 Hoge Raad 26 januari 2018

Een alinea uit Hoge Raad 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:111.

In zijn arrest van 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5811, NJ 2002/195 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het niet is uitgesloten dat het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een schuldenaar die – voordat de vijfjaarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW is voltooid – met een schuldeiser in onderhandeling treedt, zich tegenover deze erop beroept dat op enig tijdstip gedurende de onderhandelingen deze termijn is voltooid. In een zodanig geval moet worden aangenomen dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen te rekenen van het ogenblik waarop de onderhandelingen worden afgebroken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/77baf42c51414c168d863256b6ac11b411cb80a6c9ca66edaeab826c013ade85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 77baf42c51414c168d863256b6ac11b411cb80a6c9ca66edaeab826c013ade85, en de alinea staat in dat document op bytes 21903 tot 22572.