Citaat | Hoge Raad 30 januari 2018
Onder 2.2. Hoge Raad 30 januari 2018
Een alinea uit Hoge Raad 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113.
Op enig moment kreeg ik via facebook contact met [verdachte] . We vonden elkaar erg leuk. In augustus 2013 hebben [verdachte] en ik voor het eerst afgesproken. Toen ik na een aantal dagen in Eindhoven bij [verdachte] te hebben verbleven weer terug naar huis wilde gaan, kwam ik mijn eigen huis niet binnen. Omdat ik verder op niemand terug kon vallen, ben ik weer teruggegaan naar [verdachte] . [verdachte] heeft mij voor het eerst mishandeld op de avond van mijn verjaardag, 12 oktober 2013. Ik heb die avond een tijdje zitten praten met een andere man. [verdachte] is erg jaloers. Op een gegeven moment zei [verdachte] dat ik mee moest. Ik heb nog gewoon even zitten praten. Maar [verdachte] werd steeds kwader en zei mij dat ik mee moest komen. Hij heeft mij in mijn rolstoel gezet en heeft me naar de Dommel gereden. Op een soort bedrijventerrein heeft hij mij vervolgens mishandeld. Hij heeft met gebalde vuist overal op mijn lichaam geslagen, tegen mijn hoofd, benen en armen. Ik ondervond daarvan veel pijn. Dit deed hij met veel kracht. Ook heeft hij mij toen met geschoeide voet getrapt overal op mijn lichaam.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a563eb44684e48b8c8967acaaa50029248498e21cf422a5b4569979465af6b88. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a563eb44684e48b8c8967acaaa50029248498e21cf422a5b4569979465af6b88, en de alinea staat in dat document op bytes 10055 tot 11187.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a563eb44684e48b8c8967acaaa50029248498e21cf422a5b4569979465af6b88 | shasum -a 256