Citaat | Hoge Raad 2 februari 2018
Onder 3.4.5 Hoge Raad 2 februari 2018
Een alinea uit Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148.
Het voorgaande brengt tevens mee dat het hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van [eiser] c.s. De hiervoor in 3.3 weergegeven stellingen van [eiser] c.s. zijn immers, indien de juistheid daarvan komt vast te staan, mede van belang voor de uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf van het in de leveringsakte van de parkeerplaats opgenomen beding. Weliswaar levert de leveringsakte van de parkeerplaats waarin (ook) dat beding is opgenomen, tussen partijen bij die akte dwingend bewijs op van de waarheid van hetgeen in de akte door hen omtrent de inhoud van hun contractuele afspraken is verklaard (art. 157 lid 2 Rv), maar daartegen staat tegenbewijs open (art. 151 lid 2 Rv), welk tegenbewijs gelet op de hier toepasselijke Haviltex-maatstaf op alle omstandigheden van het geval betrekking kan hebben (vgl. HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111 (Kamsteeg/Lisser)). Ook onderdeel 2.2 slaagt derhalve.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1fc28c641f7af9fb43ad0a88f5d3c7c3951889626a84034442d89b67577fe627. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1fc28c641f7af9fb43ad0a88f5d3c7c3951889626a84034442d89b67577fe627, en de alinea staat in dat document op bytes 27698 tot 28709.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1fc28c641f7af9fb43ad0a88f5d3c7c3951889626a84034442d89b67577fe627 | shasum -a 256