Citaat | Hoge Raad 21 september 2018

Onder 5.3.2 Hoge Raad 21 september 2018

Een alinea uit Hoge Raad 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1694.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 50 lid 4 Ow volgt dat kosten van rechtsbijstand en bijstand door andere deskundigen voor vergoeding in aanmerking komen, ongeacht of die kosten voor of tijdens het onteigeningsgeding voor de rechtbank zijn gemaakt, en dat aan de vergoeding van deze kosten geen nadere eis is gesteld dan dat zij naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid zijn gemaakt (HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:250, NJ 2015/253, rov. 3.5.1). Een eigenaar die, geconfronteerd met een voornemen tot onteigening, stelt dat hij het werk waarop het onteigeningsvoornemen betrekking heeft, zelf wil realiseren, betwist daarmee de noodzaak tot onteigening (vgl. onder meer HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7, rov. 3.6.2). Dergelijke kosten behoren tot de op de voet van art. 50 Ow te vergoeden kosten, voor zover zij redelijkerwijs zijn gemaakt en binnen een redelijke omvang zijn gebleven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd9bf4ae1a7cded7185a1f850beff06a7df392be57d2f432b0f628a12cd3aca2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd9bf4ae1a7cded7185a1f850beff06a7df392be57d2f432b0f628a12cd3aca2, en de alinea staat in dat document op bytes 23460 tot 24399.